In de vroege morgen van 2e Paasdag vorig jaar, 21 april, overleed paus Franciscus. Op 1e Paasdag was hij te zwak geweest om zijn zelfgeschreven homilie uit te spreken. Goed om daaruit nu een gedeelte te horen.
Dit is de boodschap van Pasen: we moeten Jezus elders zoeken, niet in het graf. Christus is verrezen, Hij leeft! Hij is geen gevangene van de dood gebleven en daarom kun je Hem niet opsluiten in een mooi verhaal; je kunt van Hem geen held uit het verleden maken of Hem beschouwen als een standbeeld in een museum. Integendeel, je moet Hem zoeken en daarom kunnen wij niet stil blijven staan. We moeten in beweging komen, naar buiten gaan om Hem te zoeken: Hem zoeken in het leven, Hem zoeken in het gezicht van onze broeders en zusters, Hem zoeken in het dagelijks leven, Hem overal zoeken, behalve in dat graf.
Hem altijd zoeken. Want als Hij uit de dood is opgestaan, dan is Hij overal aanwezig, woont Hij in ons midden, openbaart Hij zich ook vandaag in de zusters en broeders die wij onderweg ontmoeten, in de meest gewone en onverwachte situaties van ons leven. Hij leeft en blijft altijd bij ons: Hij huilt de tranen van wie lijdt en vermenigvuldigt de schoonheid van het leven in de kleine gebaren van liefde van ieder van ons. Dit is de grootste hoop van ons leven: wij kunnen dit kwetsbare en gewonde bestaan leven terwijl wij ons vastklampen aan Christus, omdat Hij de dood heeft overwonnen, onze duisternis overwint en ook de duisternis van de wereld zal overwinnen, om ons voor altijd met Hem in vreugde te laten leven.
Thomas, een van de twaalf apostelen van Jezus, kon zijn medeapostelen niet geloven die Jezus wél hadden gezien naat Hij uit de doden was opgestaan. Thomas moest de wonden van Jezus zien en voelen. Dán zou hij geloven. Een week later werd hij op zijn wenken bediend. Jezus verscheen opnieuw en toonde aan Thomas zijn wonden. “Kom, leg je vingers maar in mijn wonden, en je hand in mijn zij.”
Of Thomas die wonden ook aanraakte, vertelt het verhaal niet. In elk geval heeft hij ze gezien, en stamelde: “Mijn God en mijn Heer!” Een korte, maar krachtige geloofsbelijdenis.
Het is meer dan een herkenning, het is een érkenning. Dit is mijn God, Hem behoor ik toe. Ik hoor erbij, ik ben gekend. En dit bevrijdde Thomas uit zijn wantrouwen en zijn isolement.
Zo gauw dit isolement wordt opgeheven, open je je voor de ander, ook als die jou ellende heeft berokkend, ook de vreemdeling die ongevraagd op jouw weg komt. Want wonden of uitdagende situaties verbinden je dan met de Liefde zelf.
Zoals dat is bij Jezus. Je ziet zijn wonden, maar je ziet Hem vooral stralen, mét het leed dat Hij geleden heeft. Wonden, jou toegebracht, hoe pijnlijk ook, komen in een heel ander licht te staan: in het licht van Christus die alles ten goede keert. Hij is het teken dat ons leven niet te verwoesten is, dat het goede, ware en schone uiteindelijk sterker zijn dan het kwaad en het vuil van onze wereld en in ons. Dat is Pasen.